De wet opheffing verpandingsverboden

Per 1 juli 2025 is de Wet opheffing verpandingsverboden in werking getreden. Deze nieuwe wet beoogt de positie van het midden- en kleinbedrijf (MKB) te versterken door contractuele bedingen die ertoe strekken de overdraagbaarheid en verpandbaarheid van geldvorderingen op naam, nietig te verklaren. Dit geldt ook voor dergelijke bedingen in bestaande contracten, waarvoor de wetgever een overgangsperiode van drie maanden hanteert. In dit artikel wordt nader ingegaan op de achtergrond van de wetswijziging en de rechtsgevolgen voor de (financierings-)praktijk.

Achtergrond

De nieuwe wet vindt haar basis in de behoefte vanuit de financieringspraktijk om de financieringsmogelijkheden van het MKB te verbeteren. Hoewel vorderingsrechten vóór de invoering van de wet in principe vrij overdraagbaar waren, werd dit in de praktijk vaak contractueel uitgesloten ex artikel 3:83 van het Burgerlijk Wetboek (oud) e.v. (BW). Onder meer in de Bouw- en Retailsector is deze contractuele uitsluiting veelvoorkomend, met als doel dat een schuldeiser niet wordt geconfronteerd met een hem ‘onbekende’ schuldenaar.

Naast het vergroten van de financieringsmogelijkheden werd de behoefte aan een wetswijziging ook gesterkt doordat landen zoals Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk, de werking van contractuele on-overdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen al langere tijd hebben beperkt c.q. afgeschaft. Hierdoor raakte het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder het MKB, op achterstand in vergelijking met haar omringende landen, hetgeen afbreuk deed aan het ‘level playing field’ binnen de financieringspraktijk en haar concurrentiepositie.

De wet opheffing verpandingsverboden

Met de inwerkingtreding van de Wet opheffing verpandingsverboden wordt voornamelijk artikel 3:83 BW  gewijzigd. Daarnaast worden de artikelen 3:94 lid 5 BW en 3:239 lid 5 BW aangepast op grond waarvan, ingeval bij de overdracht of verpanding van een handelsvordering een mededeling aan de schuldenaar vereist is, deze voortaan schriftelijk dient te geschieden.

Nietigheid van overdrachts- en verpandingsverboden (artikel 3:83 lid 3 BW)

Contractuele bedingen tussen schuldeiser en schuldenaar die de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van handelsvorderingen beperken of uitsluiten, zijn voortaan nietig. Dit geldt ongeacht of het beding is vormgegeven als een goederenrechtelijke of verbintenisrechtelijke bepaling. Het betreft uitsluitend bedingen die rechtstreeks zijn overeengekomen tussen een schuldeiser en schuldenaar. Zogenaamde ‘negative pledge’ en ‘pari passu’ bepalingen blijven geldig.

Voorts bepaalt artikel 3:84 lid 4 BW dat op bepaalde geldvorderingen de oude regeling van toepassing blijft en hiervoor de ‘nietigheid’ van artikel 3:84 lid 3 BW niet van toepassing is. Het gaat hierbij om de navolgende vorderingen:

  1. uit hoofde van een betaal- of spaarrekening;
  2. uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken zijn of zullen zijn;
  3. van of op een clearinginstelling, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een verrekening instituut of een centrale bank, als bedoeld in artikel 212a, onderdelen c, d, e en g van de Faillissementswet
  4. die op grond van een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 35, vijfde lid, of 35a, vierde lid, Invorderingswet 1990 zullen worden betaald op een bankrekening die wordt gehouden ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies.

Overgangsregeling: bestaande bedingen

In de nieuwe wet is nadrukkelijk rekening gehouden met de impact op bestaande overeenkomsten en voorzien in een overgangsregeling voor reeds bestaande bedingen. Hiervoor geldt een overgangstermijn van drie maanden, waardoor nietigheid voor bedingen in reeds bestaande overeenkomsten pas geldt per 1 oktober 2025. Voor nieuwe bedingen geldt de nietigheid van overdrachts- en verpandingsverboden direct vanaf de inwerkingtreding van de wet.

Afsluitend en enkele praktische tips voor de praktijk

Na 1 oktober 2025 zal de wet ook gelden voor reeds bestaande overeenkomsten en bedingen. Vanaf dat moment zullen ook vorderingen die daarvóór al waren ontstaan en ingevolge een beding onverpandbaar waren, verpandbaar zijn.

  • Check uw algemene voorwaarden en overige overeenkomsten op eventuele nietige bedingen zodat deze kunnen worden aangepast conform de nieuwe wet;
  • Indien u uw pandrechten onder een reeds bestaande overeenkomst wenst uit te breiden, pas dan uw overeenkomst (met wederzijds goedvinden) aan, zodat ook eerder onverpandbare vorderingen onder uw pandrecht vallen. Zelfs als eerder al een pandrecht op vorderingen is verleend, komt er niet automatisch een pandrecht tot stand op geldvorderingen die ingevolge een beding onverpandbaar waren.

Wilt u advies over wat de nieuwe Wet opheffing verpandingsverboden concreet betekent voor uw onderneming? Neem dan vrijblijvend contact op met het team Insolventierecht van Köster Advocaten N.V. – we denken graag met je mee!

meer weten over onze expertises?

auteur(s)

Pieter van der Bom

Advocaat

deel dit artikel

gerelateerde artikelen

We nemen binnen een werkdag contact met u op